Korte geschiedenis van het ras:
De Beauceron is een Frans herders-
hondenras dat afstamt van een heel oud
tamelijk onedel type hond.
Hond van de
Beauce, Beauceron en rood kous zijn namen
waarmee deze herdershonden aangeduid
werden. Zij hadden glad haar aan het hoofd,
een
korte stuggen vacht en gecoupeerde oren.
Het lichaam heeft brand aftekeningen met
name aan de uiteinden van de vier benen, dat
ertoe
heeft geleid dat de fokker in die tijd
deze honden "roodkousen" zijn gaan noemen.
Het ras werd voor het eerst in 1897 tentoongesteld
en wekte toen vrij veel belangstelling.
De beauceron werd gefokt en geselecteerd op hun aanleg voor het drijven en bewaken van de
schaapskudden.
Zijn uiterlijk en mentaliteit zijn met de jaren stabieler geworden en de hond heeft zijn oorspronkelijke werkvermogen
behouden. De beauceron is tamelijk zeldzaam.
Karakter:
Volgens de rasstandaard: Vrij bij benaderen en zonder vrees. De uitdrukking
is vrijmoedig, nooit vals, nog schuw of onrustig. Het karakter van de Beauceron moet braaf en onverschrokken zijn.
De beauceron is
van oorsprong gefokt voor het bewaken en drijven van de kuddes op de grote vlaktes buiten Parijs. Raskenmerken zijn dan ook: uithoudingsvermogen,
gehardheid tegen allerlei weersinvloeden, schranderheid en oplettendheid,
Een beauceron kan soms eigenwijs zijn. Hij heeft veel behoefte
aan beweging en aan contact met de baas.
De beauceron is een herdershond: alert en op de baas gericht. Wat niet inhoudt dat hij nooit
weg zou lopen of gaat jagen.
Voor de opvoeding van de beauceron wordt wel eens de term "ijzeren vuist in een fluwelen handschoen" gebruikt.
Schofthoogte:
reu
65 - 70 cm, teef 63 - 68 cm.